toSwitch

127

Escapism(e)

Manifestaties:
7/9 Minister Verdonk in gesprek met Paul Witteman; 8/9, diverse optredens, o.a. Huub van der Lubbe, Sanne Wallis de Vries, Erik van Muiswinkel en Diederik van Vleuten in de Grote Zaal, vanaf 16.00 uur; 9/9, geen programma bekend.

Dit is precies het belangrijkste punt van kritiek dat de film Oesters van Nam Kee in 2002 krijgt. De film wordt slecht ontvangen en ook Van Beijnum zelf is er niet erg blij mee. Jos van den Burg schrijft in Het Parool (4 september 2002) dat hij de relatie tussen Berry en Thera in de film niet geloofwaardig vindt neergezet en Karin Wolfs zegt in de filmkrant (september 2002): ‘De zwakste schakel in de film is het script. Hoewel het een poging doet een karakterstudie van Berry en Thera te maken, blijven te veel lijntjes onuitgewerkt.’ Ondanks de slechte ontvangst is de film in de bioscopen wel succesvol en krijgt het boek daardoor ook nog een tweede leven.

Naast het ‘niets is wat het lijkt’ komt uit de drie besproken boeken nog een andere obsessie van Van Beijnum naar voren: hij lijkt het niet echt op te hebben met boekenkennis, ‘gymnasiumkennis’ (maar ook dossiermappenkennis, zegt hij in een interview). Daarentegen hemelt hij ‘streetwise-heid’ op: je leert meer op straat, in het echte leven, dan uit boeken. Deze filosofie zit in alledrie de boeken verborgen, zij het bij de een subtieler dan bij de ander. In Dichter op de Zeedijk laat hij het wel erg duidelijk en daardoor clichématig terugkomen in de gesprekken van Constant met de dichter Joost van den Vondel. In De ordening is het subtieler aanwezig. Als Stella merkt dat haar moeder geen probleem blijkt te hebben met diefstal denkt ze: ‘Ik kon niet duiden wat er gebeurde. Kant liet me in de steek, maar ik begreep dat het veelzeggend was, misschien veelzeggender dan alles wat ik uit boeken te weten was gekomen’ (blz. 59). Daarnaast laat hij Stella verwoede pogingen doen door Ulysses van James Joyce heen te komen. Het lukt haar niet en uiteindelijk doet ze het aan iemand cadeau, ‘een vervelende opschepper, werkelijk iemand die het verdiende’ (blz. 83). En dan is er natuurlijk het archief van de weduwe dat niet blijkt te kloppen met haar herinnering van wat echt gebeurd is. In De oesters van Nam Kee laat Van Beijnum Berry zeggen: ‘Kennis is de straf des levens, de stommiteit, het misverstand’ (blz. 222) en is het een gegeven waarover je als lezer allerlei vragen kunt stellen: was Berry beter af geweest als hij het gymnasium had afgemaakt? Is Berry juist doorgeslagen doordat hij tussen twee werelden in zit? Zijn de streetwise-vrienden nou zoveel beter af?